
Praktijkbeginselen die bouwen aan partnerschap.
- 1 Respecteer de cliënten als mensen die het waard zijn om mee samen te werken.
Wanneer je ervan uitgaat dat de familie in staat is tot verandering kan dit bij hen een gevoel van hoop en mogelijkheden creëren. Wees zo open mogelijk naar familieleden en benader hen als potentiële partners bij het creëren van veiligheid.
- 2 Werk samen met de cliënt, niet met de mishandeling.
Werkers kunnen een samenwerkingsrelatie met de familieleden opbouwen, zonder de mishandeling op welke manier dan ook goed te keuren. Luister en reageer op het verhaal van de cliënt. Geef de familie keuzes en mogelijkheden om inspraak te geven. Luister naar wat zij willen. De werker moet open en eerlijk zijn, met name in zijn onderzoek. Behandel de cliënten als individuen.
- 3 Ga ervan uit dat samenwerking mogelijk is, zelfs al is er sprake van dwang.
Werkers zullen altijd een bepaalde mate van dwang moeten gebruiken en zullen daarbij ook vaak gebruik moeten maken van hun wettelijke macht om situaties van aanhoudend gevaar te voorkomen. Dit zou hen niet moeten weerhouden van het werken aan een constructieve samenwerkingsrelatie met ouders. Ga ervan uit dat dwang en samenwerking naast elkaar kunnen bestaan en gebruik je vaardigheden om hieraan te werken.
- 4 Ga ervan uit dat alle families tekenen van veiligheid vertonen.
Alle families hebben mogelijkheden en sterke kanten. Ze houden hun kinderen veilig, in ieder geval een gedeelte en meestal het grootste gedeelte van de tijd. Zorg ervoor dat deze tekenen van veiligheid voldoende en zorgvuldige aandacht krijgen.
- 5 De veiligheid centraal stellen.
De focus van het werk van de kinderbescherming ligt altijd op het verhogen van de veiligheid. Houd deze gedachte vast bij het denken aan de instelling, de rol van de werker en ook de specifieke details van het maatschappelijk werk.
- 6 Onderzoek de wensen van de cliënt.
Erken de wensen en zorgen van de cliënt. Gebruik de doelen van de cliënt bij het maken van een plan van actie en het motiveren van de cliënt. Gebruik, voor zover mogelijk, de doelen van de cliënt samen met de doelen van de instelling.
- 7 Zoek altijd naar details.
Selecteer altijd gedetailleerde en specifieke informatie bij het exploreren van zowel negatieve als positieve aspecten van de situatie. Oplossingen ontstaan vanuit de details, niet vanuit generalisaties.
- 8 Wees gericht op het creëren van een kleine verandering.
Denk, discussieer en werk toe naar kleine veranderingen. Laat je niet frustreren wanneer grote doelen niet onmiddellijk behaald worden. Wees gericht op kleine veranderingen en erken het behalen hiervan.
- 9 Haal details van de zaak en oordelen niet door elkaar.
Wacht met oordelen tot zoveel mogelijk informatie verzameld is. Haal deze conclusies niet door elkaar met details van de zaak. Onthoud dat anderen, met name de familie, deze details anders zullen beoordelen.
Voorkom vervreemding van de cliënt met onnodige dwang. Bied in plaats daarvan keuzes aan wat betreft zoveel mogelijk aspecten van het maatschappelijk werk. Hiermee betrek je de familieleden in het proces van bouwen aan samenwerking.
- 11 Beschouw het gesprek met de cliënt als een middel tot verandering.
Zie het gesprek als de interventie en bezie daarom ook de interactie tussen de werker en de cliënt als de sleutel tot verandering.
- 12 Beschouw de praktijkbeginselen als een streven, niet als een aanname of een veronderstelling.
Probeer altijd de beginselen toe te passen, maar heb echter de bescheidenheid om te erkennen dat zelfs de meest ervaren werker zorgvuldig zal moeten denken en handelen om deze te implementeren. Ga ervan uit dat niemand het altijd goed kan doen in het werk van de kinderbescherming.
Overgenomen uit een workshop met Andrew Turnell d.d. 26 september 2002
|